a. Wet maatschappelijke ondersteuning
De WMO is een zogenaamde open einde regeling. Dat betekent dat inwoners er altijd een beroep op kunnen doen. Ook als het hiervoor bestemde budget op is. De basis voor het begrote budget zijn de kosten van het huidige gebruik. Deze kosten worden verhoogd voor de jaarlijkse prijsstijging en de verwachte toename in gebruik. Het beroep op algemeen aanvaardbare ondersteuning als huishoudelijke hulp wordt beïnvloed door de hoogte van de eigen bijdrage. Door het huidige ‘eigen bijdrage’ beleid van de Rijksoverheid is de drempel om een beroep te doen op de gemeente vervallen. Ook mensen die op basis van financiële draagkracht zelf ondersteuning zouden kunnen organiseren doen daardoor een beroep op ons. In de toekomst zal het effect van vergrijzing en als gevolg van het Rijksbeleid “langer thuis wonen”, deze ontwikkeling versterken.
Ten slotte is er sprake van een toenemende vraag naar begeleiding van inwoners die een kwetsbare positie innemen in de samenleving. Dit als gevolg van onder andere psychische problematiek. De (toekomstige) ontwikkelingen op het gebied van beschermd wonen en de Wet verplichte GGZ zullen hier een sterke rol in spelen en brengen financiële risico's met zich mee. In dit kader is de doordecentralisatie van beschermd wonen en de daarmee gepaard gaande verwachte verlaging van het totale regionaal beschikbare Rijksbudget van belang.
b. Jeugdhulp
De jeugdzorg blijft een belangrijk aandachtspunt binnen de begroting van het Sociaal Domein. Ook hier betreft het een zogenaamde open einde regeling. Dat betekent dat inwoners er altijd een beroep op kunnen doen. Ook als het hiervoor bestemde budget op is. Voor de begroting 2021-2024 is voor de meeste onderdelen de huidige vraag naar ondersteuning als basis gehanteerd. De vraag naar jeugdzorg is de afgelopen jaren sterk gestegen, sinds 2019 is er sprake van een stabilisatie in aantal jongeren. In 2021 zijn ook de uitgaven gestabiliseerd en op bepaalde onderdelen zelfs gedaald. Ondanks dat dit een positief signaal is, is nog niet bekend wat het effect voor 2022 en verder zal zijn.
Jeugdzorg met verblijf is regionaal gefinancierd waarbij er sprake is van één contractpartner. In het contract is opgenomen dat bij grote afwijkingen van het contract als geheel, ten opzichte van de uitgangspunten bij aanbesteding, partijen in overleg gaan. Voorgenoemde situatie is actueel en partijen zijn in overleg, waarbij er grote verschillen van inzicht zijn. Het belangrijkste risico is dat er aanvullende middelen nodig zijn.
In 2022 vindt er een aanbesteding plaats van diverse onderdelen van de regionale jeugdhulp. Het risico bestaat dat de huidige tarieven voor deze regionale jeugdhulp relatief laag zijn en dat de kosten na de aanbesteding hoger zullen uitvallen. Om de financiële impact te kunnen bepalen wordt er een tarievenonderzoek uitgevoerd.
c. Participatie en Minimabeleid
Het budget is naast de decentralisatie uitkeringen "Armoedebestrijding Kinderen" en "Schulden en armoede" gebaseerd op het huidige gebruik. Onze minimaregelingen zijn zogenaamde open einde regelingen. Hierbij is het risico dat door toenemende vraag het budget wordt overschreden. Gezien de economische onzekerheid met als resultaat dat de vraag naar ondersteuning mogelijk gaat stijgen is dit risico actueel. Dit geldt ook voor het aantal inwoners dat een bijstandsuitkering ontvangt, ondanks dat dit aantal in 2021 is gedaald.
De economische onzeker situatie komt vooral door de gevolgen van (de maatregelen die zijn genomen vanwege) COVID-19. Daarnaast heeft ook de oorlog in Oekraïne een grote impact. De exacte effecten op de werkgelegenheid zijn niet te voorspellen, maar dat er sprake is van impact op de verstrekking van uitkeringen is waarschijnlijk. Ter dekking van de uitgaven aan bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidie ontvangt Noordoostpolder een specifieke uitkering van het Rijk (BUIG). Hierdoor is er sprake van 2 potentiële risico’s
- Het Rijk stelt landelijk gezien onvoldoende middelen beschikbaar ter dekking van de lasten.
- De hoogte van ons aandeel in het landelijke budget wordt bepaald op basis van een objectieve berekening. In de berekening wordt onder andere rekening gehouden met gezinskenmerken die een verhoogde kans op bijstand geven, waardoor er een benchmark waarde ontstaat die ons budget bepaald. Omdat er sprake is van een gewogen gemiddelde wijkt dit altijd af. Dat kan leiden tot een financieel nadelig effect, overigens is ook een positief effect mogelijk.
De loonkostensubsidie valt in 2021 hoger uit dan begroot. Vergeleken met landelijk niveau heeft de gemeente Noordoostpolder vrij veel mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De toename komt vooral door de banenafspraak van de WerkCorporatie die mensen, met een structurele beperking, naar werk begeleid. De verwachting is daardoor dat de uitgaven aan loonkostensubsidie de komende jaren zullen blijven stijgen. Wat betreft de financiële impact betekent dit dat deze groep mensen in mindere mate aanspraak zullen maken op een bijstandsuitkering. Daarnaast is met ingang van 2022 een nieuwe financieringswijze vanuit het Rijk geïmplementeerd waardoor de middelen voor de loonkostensubsidie worden verdeeld op basis van de laatste bekende realisatie. Hogere uitgaven aan loonkostensubsidies betekenen daardoor het jaar erna een hogere financiering van de gemeente vanuit het Rijk.
Per 1 januari 2020 is de financiering van de Bbz verandert. Deze wijzigingen hebben tot gevolg gehad dat de financiële risico's voor gemeenten zijn toegenomen. Gemeenten dienen bedrijfskredieten eerst zelf te financieren. Het Rijk betaald deze vervolgens in het jaar na verstrekking terug aan de gemeenten. In de jaren daarna moeten de gemeenten 75% van de kredieten weer terugbetalen aan het Rijk, ongeacht welk deel van de lening door de debiteur aan de gemeente wordt terugbetaald.
d. Wsw
Wij betalen als gemeente de kosten van de sociale werkvoorziening. Daarvoor ontvangen wij een vergoeding van het Rijk. De vergoeding die wij ontvangen stellen wij aan de GR ter beschikking.
In de meerjarenraming van de GR wordt rekening gehouden met tekorten. Om dit te voorkomen is in 2019 de ‘Social Firm’ uitgewerkt waardoor deze tekorten terug te dringen zijn. Echter de meerjarenraming is nog negatief.
Op basis van het gehanteerde scenario is tot en met 2025 naar verwachting geen extra bijdrage van de aandeelhouders benodigd. Echter daarna lopen wij het risico dat tekorten van Concern voor Werk nv (en uiteindelijk Gemeenschappelijke Regeling IJsselmeergroep) die, als het eigen vermogen niet meer toereikend is, moeten worden bijgestort door een verhoging van de gemeentelijke bijdrage.
e. Prijsstijgingen
De energieprijzen hebben een sterke stijging doorgemaakt vanaf midden 2021. Er is een nieuwe CAO voor de jeugdzorg afgesloten met daarin een loonsverhoging van in totaal 8% tot en met 2023. Daarnaast is de voorlopige Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (de basis voor de indexering van de personele kosten berekend door het Centraal Planbureau en gepubliceerd door het NZA) voor 2022 gesteld op 3,87%. Ook op andere gebieden is er sprake van forse prijsstijgingen in 2022. Hierdoor ontstaat het risico dat er vroegtijdig een discussie over de tarieven ontstaat en dat deze mogelijk harder stijgen dan begroot. Of, in geval van subsidies, dat dienstverlening verschraald wordt, om de exploitatie van gesubsidieerde instellingen passend te krijgen binnen de toegekende middelen.